A Programmer's Chronicles 11


Tsai Ming-liang en zijn crew verkopen kaartjes voor I Don't Want To Sleep Alone in de straten van Taipei
Tsai Ming-liang en zijn crew verkopen kaartjes voor 'I Don't Want to Sleep Alone' in de straten van Taipei




door Gertjan Zuilhof


Tsai Ming-liang was in Rotterdam. De dag ervoor had hij in Taipei nog kaartjes voor zijn laatste film I Don’t Want To Sleep Alone op straat staan verkopen. Gehuld in sarong, want de film was tenslotte in Maleisië gedraaid, en samen met acteurs en actrices had hij persoonlijk zijn mogelijke publiek aangesproken om een deel van hun Chinees Nieuwjaarsgeld aan zijn film te besteden. Ik vond het een opmerkelijke en innemend eenvoudige actie in een tijd van on line verkopen, maar Tsai verklaarde dat het niet alleen maar een stunt was. Dat hij al jarenlang op deze manier de bioscopen ervan kan overtuigen dat ze zijn films moeten draaien. Door zijn kaartjes vooraf op straat te verkopen kan hij de exploitant een goede boxoffice garanderen. De internationale roem van Tsai betekent niet automatisch dat in zijn thuisland veel bezoek op zijn films afkomt. Oog in oog met de beroemdheid en door de verlokking van een ansichtkaart met handtekening wil men kennelijk wel over de brug komen. De meester verkoopt met deze methode bijna een kaartje per minuut (100 kaartjes binnen twee uur tekende een locale krant op) en dat klinkt toch helemaal niet slecht voor het slijten van een sombere kunstfilm.

Tsai begon in 2001 met straatventen. Het was het jaar van What time is it there? Een rampjaar voor de Taiwanese film. Het marktaandeel van Hollywoodfilms had het onvoorstelbare percentage bereikt van 99% aldus het Government Information Office, geciteerd door de Taipei Times van 15 maart 2002. Tegen mijn gewoonte in geef ik de bron er maar bij omdat het te overdreven lijkt om waar te zijn. Tsai kon geen bioscoop vinden om What time is it there? te vertonen en besloot er toen maar een als wanhoopsdaad uit te kopen en vervolgens al die kaartjes zelf op straat door te verkopen. En niet alleen op straat. Een maand lang trok hij langs alle culturele evenementen en collegezalen die zijn eiland rijk is om publiek te vinden voor zijn film. Naar eigen zeggen gaf hij in die periode zeventig lezingen over zijn werk. Zeker twee voordrachten per dag. Een kaartje per minuut. Een ongeteld aantal handtekeningen. Wie zei dat kunstfilmmakers zich niet om het publiek bekommeren?

Tsai doet overigens meer dan films maken en vervolgens kaartjes verkopen. Hij komt uit het theater en keert daar steeds weer naar terug. I Don’t Want To Sleep Alone was de film waarvoor hij naar zijn geboorteland Maleisië terugkeerde, maar eerder keerde hij voor theaterproducties terug naar Sarawak, het Maleisische Borneo dat zijn echte geboortegrond is.

En Tsai heeft de wereld van de beeldende kunst ontdekt of deze wereld hem. Zelf ben ik betrokken bij een tentoonstelling in het National Palace Museum in Taipei waarvoor hij een speciale installatie maakt. De korte film die hij voor het Rotterdamse afscheid van Simon Field in 2004 maakte zal daarbij een opmerkelijke hercirculatie krijgen. Het Parijse Louvre heeft hem een opdacht gegeven en het laat zich aanzien dat hij ook op de komende Biennale van Venetië present zal zijn. De Taiwanese kunstenaar/curator Hongjohn Lin heeft hem gevraagd een installatie voor het Taiwanese paviljoen te maken. Al heeft Taiwan geen paviljoen in de Giardini, het park met landenpaviljoens, maar een Venetiaans herenhuis buiten het terrein dat wel zo fraai is. In Rotterdam liet Tsai alvast weten dat hij de versleten stoelen van een opgeheven bioscoop had overgenomen en naar Venetië zou laten verschepen. Dus de kunst komt niet alleen naar de filmmaker, de filmmaker brengt de bioscoop naar de kunst.

In Rotterdam heb ik Tsai de Exposing Cinema tentoonstellingen laten zien in Museum Boijmans van Beuningen, Witte de With en TENT. Hij was duidelijk enthousiast over de ruimtes en dat leek me een goed moment om hem te vragen alvast eens na te denken over een niet-filmische bijdrage aan het volgende Rotterdam. Dat wilde hij wel. Hij zou wel een theatervoorstelling willen maken in die gesausde ruimtes aan de Witte de Withstraat. Ik houd u op de hoogte.

Nog even terug naar Maleisië, het vaderland van Tsai Ming-liang. In Rotterdam vertelde hij het publiek voor zijn tweede voorstelling dat hij net had gehoord dat zijn film in Maleisië verboden is. Na afloop wilde iemand weten wat hij van dat verbod vond. Hij kon onmogelijk verbaasd zijn vertelde hij, want alle negen films die hij heeft gemaakt zijn in zijn land van herkomst verboden. Hoef je dus ook niet meer te vragen waarom hij ooit besloot om na zijn studie in Taipei te blijven. Voor de kranten van Maleisië was het geen nieuws dus de reden, of beter redenen, voor het verbod ken ik alleen van Tsai zelf. Één daarvan is me vooral bijgebleven. Er zouden teveel arme mensen in zijn film voorkomen. Ja, ook de inter-raciale genegenheid van een gelovige voor een ongelovige van hetzelfde geslacht was aanleiding tot censuur, maar liefde voor een arme man was het toppunt. Waarin een vaderland zich beledigd kan voelen.