A Programmer's Chronicles 12


Beeld uit Yella van Christian Petzold (Duitsland, 2007)



door Gertjan Zuilhof

In Berlijn stond ik er anderhalf uur voor in de rij, maar kreeg ik hem toch niet te zien. Zoals dat gaat werden de laatste plaatsen weggegeven aan mensen die vlak voor me stonden. Christian Petzold had me een dag eerder nog vriendelijk toegeknikt. Ja, had ik gezegd, natuurlijk ga ik je nieuwe film zien. Films zijn tenslotte het aantrekkelijkst als ze nog helemaal nieuw zijn. Maagdelijk. Nog niet behangen en besmeurd met sturende opninies.

Het zou tot Hong Kong duren voordat ik Yella van Petzold zag. In een nagenoeg lege zaal voor bezoekers van het zogenaamde HAF (het forum voor Aziatische filmprojecten in ontwikkeling). Ik had zelfs geaarzeld om naar binnen te gaan. Je vliegt natuurlijk niet twaalf uur naar Azie om een Duitse film te zien. Een Duitse film die tegen de tijd van het volgende Rotterdamse festival tenslotte ook nog eens een oude Duitse film zou zijn. Maar goed ik had het Petzold beloofd en bovendien was ik gewoon nieuwsgierig.

Petzold maakt nu al een aantal jaren op rij spannende, intrigerend beheerste en vernuftige films. Films die een soort cinematografische ingenieurskunst uitstralen. Technisch onberispelijk gemaakt en in een koele verpakking altijd voorzien van een broeiend geheim. Yella stelde daarin niet teleur. De film bracht me van het hectische en overijverige Hong Kong naar een droefgeestige en uitgebluste (voormalig Oost) Duitse provincieplaats.

Al snel introduceert Petzold het geheim van zijn nieuwste film: Yella wordt door haar agressief suicidale ex-man met auto en al van een brug af gereden en lijkt te verdrinken. Of lijkt net aan de verdinkingsdood te ontsnappen. Of lijkt een bijna-dood-ervaring te beleven. Het is allemaal mogelijk, want onder het minutieuze hyperrealisme van Petzold schuilen altijd geesten. Daarin is het mogelijk dat de hoofdpersoon na haar dood voorleeft en zelfs voorspellende dromen kan hebben.

Petzold laat in Yella ook iets zien dat in film vrij zeldzaam is. Hij verdiepte zich in de details van het huidige durf-kapitalistische ondernemersschap waarin schulden aantrekkelijk kunnen zijn en faillisementen persoonlijke voordelen kunnen opleveren. De dialogen die zich in deze sfeer afspelen zijn opmerkelijk gedetailleerd en bevestigen dat vele talen (zoals hier die van de achterkamers van het bedrijfsleven, maar het had ook wetenschap of politiek kunnen zijn) in film eigenlijk niet gesproken worden.
Het is eigen aan het medium film dat je het buiten zijn context, zijn land van herkomst kunt zien. En wat film nog aan context had, zoals hier een nationale Duitse cinema, is snel aan het verdwijnen.

In Berlijn zag ik de nodige nieuwe Aziatische films en dat voelde eigenlijk vrij normaal aan. De context miste ik kennelijk niet zo. Zo zag ik uit de school van Johhnie To het onderhoudende Eye in the Sky, een debuut van To scenarist Yau Nai-hoi. Soepele en degelijke genrecinema waar ze in Hong Kong patent op lijken te hebben en waarop ze na The Departed, de remake van Scorsese van Infernal Affairs, ook weer extra trots zijn. Al heeft deze vorm van cinema altijd al geblaakt van zelfvertrouwen.


Beeld uit Eye in the Sky van Yau Nai-hoi (Hong Kong, 2007)

Het verhaal van Eye in the Sky is eenvoudig. Een speciale politie-eenheid onder leiding van een ervaren chef met de bijnaam Dog Head (Simon Yam) observeert een bende juwelendieven onder leiding van ene Shan (Tony Leung). Een jonge agente krijgt de bijnaam Piggy (Kate Tsui) en wordt zonder pardon op het spoor van de doorgewinterde criminelen gezet. Een vernuftig kat en muis-spel volgt waarin alle cliche's van het genre zorgvuldig worden omzeild of van een variatie worden voorzien.

Einde verhaal zou je zeggen. Als je van dit soort films houdt ga je hem zien en als je er ongevoelig voor bent kun je hem overslaan.
Maar niet veel later, in de week van Yella, liep ik in Kowloon, het gedeelte van Hong Kong waar Eye of the Sky zich afspeelt, en bedacht me dat de film meer brengt dan een genreverhaal. Het geeft eigenlijk heel realistisch de hectiek van het leven in dit traditionele en chaotische deel van Hong Kong weer. De makers doen in hun zorgvuldige observaties niet onder voor de waarnemingskunst waarmee Petzold het nieuwe Duitsland links en rechts van de Elbe observeert.

Heeft film nu wel of geen context is dan de vraag. Maakt het nu wel of niet uit waar je een film ziet? Heeft het nu wel of geen belang of je de omgeving waarin de film zich afspeelt kent? Is het Kowloon van Eye in the Sky alleen couleur locale? Kan het droefgrijze Duitsland van Petzold exotisch zijn? Nu film steeds meer vertoningsplaatsen kent. Nu film altijd en overal bekeken kan worden. Van vliegtuigen tot wachtkamers. Tot eigenlijk alle denkbare plaatsen waar je mobiele afspeelapparatuur mee naar toe kunt nemen. Wordt dan de context irrelevant? Of komt er dan toch weer een moment waarop de context van de kijker met de context van de film kan samenvallen?