door Gertjan ZuilhofFilm op een kunsttentoonstelling is geen nieuwtje meer. De Dokumenta van Kassel schakelde een serieuze filmprogrammeur in om de volledige honderd dagen van de tentoonstelling van een filmprogramma te voorzien. En de kloof tussen videokunst en cinema heeft men ook al vele malen proberen te dichten. Het laatste decennium is een beeldende kunsttentoonstelling zonder bewegende beelden eigenlijk niet denkbaar geweest. Zo ook tijdens de meest recente editie van de Biënnale van Venetië. Het Nederlandse paviljoen was een respectabel voorbeeld van een geengageerde video als ruimtelijke kunst. We hoefden ons voor Aernout Mik niet te schamen op dit internationale podium. Dat konden ook de Spanjaarden zeggen. Mik kreeg het hele Nederlandse paviljoen inclusief enkele speciale uitbouwtjes terwijl de Catalaanse filmmaker José Luis Guerin het paviljoen voor zijn installatie Women We Don’t Know met nog drie kunstenaars moest delen. Tijdens een tentoostelling als in Venetië kom je al snel op het idee dat een ruimte wel royaler had gekund. Zelden sta je ergens alleen voor. Guerin wist niet minder dan 24 schermen in een relatief bescheiden ruimte te plaatsen en het werkte ook nog al stond er inderdaad wel eens iemand in de weg. Het werk bevat meest documentaire opnamen. In zwart wit. Veelal in Strassbourg gefilmd, de stad van La Ciudad de Sylvia, zijn meest recente nog niet gepresenteerde film. De opnamen volgen jonge vrouwen tijdens hun tocht door de stad. Meest mooie jonge vrouwen. Een selectie dus. Of het voyeuristisch is? Allicht. Een filmmaker bespiedt hoe de wind een blonde lok haar vangt of hoe de inspanning van het fietsen een aantrekkelijk gezicht niet lelijker maakt. En al die beelden omringen de kijker zoals de stad zelf een stedeling omringt. Met even weinig betekenis. Of op zijn minst zonder veel doel. Toch blijft Guerin naast de doelgerichtheid van Mik moeiteloos overeind.Naast Guerin was er nog een uitgesproken filmmaker die zijn land vertegenwoordigde en wel niemand minder dan Tsai Ming-liang die als Maleisisch immigrant voor Taiwan mocht uitkomen. De Taiwanezen hebben geen erkend land en daarom ook geen paviljoen, maar het afgehuurde statige Palazzo delle Prigioni bleek een meer dan bevredigende vervanging. Tsai is nieuw in de wereld van de beeldende kunt en hij bleef in zijn bijdrage zo dicht mogelijk bij de klassieke cinema. Uit een gesloten oude bioscoop in Kuala Lumpur naam hij genoeg afgedankte stoelen over om in Venetië een eigen zaaltje in te richten. Daar vertoonde hij de verbeelding van een droom die hij had over zijn grootmoeder, moeder en vader in een bioscoop. Het resultaat werkt als een spiegel. De kijker kijkt naar een zaal met stoelen die identiek zijn aan de stoel waar hij op zit. Spiegels in de ruimte bendrukken het spiegelende effect. Hier geen schuifelende toeschouwers die het zicht benemen. De voorstelling kent vaste aanvangstijden en na aanvang geen toegang. Strikter nog dan in een echte bioscoop.Dat kun je niet zeggen van de presentatie van het werk van de Chinees Yang Fudong die zeer uitvoerig op de hoofdtentoonstelling werd opgenomen. Anders dan in de gevallen Guerin en Tsai is Yang een uitgesproken vertegenwoordiger van het beeldende kunstcircuit. Op een vorige Biënnale was hij al aanwezig en er zijn de laatste jaren eigenlijk weinig grote tentoonstellingen van hedendaagse internationale kunst geweest waar hij niet voor werd geselecteerd. Zijn werk is echter buitengewoon filmisch. En wordt ook als film gemaakt. Met acteurs. Op 35 mm. In zwart wit. Zijn esthetische idioom is nadrukkelijk dat van een filmmaker, toch wordt hij bijna uitsluitend gepresenteerd binnen een beeldende kunst-context en nauwelijk of eigenlijk niet op bijvoorbeeld filmfestivals. En dat is eigenlijk vreemd. In Venetië vertoonde Yang Fudong zijn uit vijf delen bestaande reeks Seven Intellectuals in a Bamboo Forest. Ieder deel heeft een lengte tussen een half uur en een uur en voor ieder deel was een forse doos gebouwd, wit van buiten en zwart van binnen, die als even zovele bioscoopjes fungeerden. Forse obstakels in het tentoonstellingstraject zowel ruimtelijk als temporeel gezien. Stel dat je ieder deel in zijn geheel zou willen zien, dan moet je bijna vier uur in de kijkdozen verblijven. Dat is al bijna tweemaal zoveel tijd als de meeste mensen aan een hele tentoonstelling besteden. Niet dat het werk van Yang die moeite niet waard zou zijn zijn. Het is prachtig gedraaid en intrigerend symbolisch werk. Het is zwanger van de filmische verwijzingen van de Shanghai cinema van de jaren twintig en dertig tot de Franse Nouvelle Vague. Nog voller is het met elementen en fenomenen uit de Chinese samenleving: van de huidige economische hysterie tot de filosofische verhalen van oude dynastieën. Eigenlijk was dit rijke cinematografische werk niet echt op zijn plaats op een tentoonstelling waar bezoekers steeds voort moeten naar een volgende attractie. Een filmzaal zou voor de films van Yang toch geen slechte behuizing zijn. Zo kan Yang misschien de omgekeerde oversteek van Guerin en Tsai maken. Van filmzaal naar tentoonstellingsruimte en vice versa.