A Programmer's Chronicles 3



door Gertjan Zuilhof

Zonder dat ik eigenlijk veel van hem wist had ik een citaat van de Laotiaanse filmmaker Som Ock Soutiponh gebruikt als motto bij mijn catalogusinleiding op het South East Asian Eyes programma dat ik voor het festival van 2005 maakte. Het citaat kwam uit een essayistische voordracht die Soutiponh voor een of ander congres had gehouden, maar ik kwam de tekst tegen in het dossier van een Hubert Bals Fonds-aanvraag. Een aantal dingen uit die tekst bleven mij bij. In de eerste plaats - ik was tenslotte met Zuidoost Azië bezig - Soutiponhs pleidooi om aandacht te besteden aan de Aziatische cinema van buiten China, Japan en Korea. En ten tweede de persoonlijke toon van het verhaal. Soutiponh studeerde lang in het bevriende communistische Praag, maar toen hij als meest geleerde volkscineast die Laos ooit gekend heeft terugkeerde in Vientiane bleek het produceren van meeslepende speelfilms geen doel in de vijfjarenplannen te zijn. In 1988 maakte hij nog wel The Red Lotus, maar dat blijkt nu zijn voorlopig laatste film te zijn geweest.

Soutiponh schreef onvermoeibaar aan projecten, maar van verfilmen kwam het niet. Zijn collega's die in Moskou, Oost-Berlijn of Peking studeerden slijten hun dagen met het maken van bijvoorbeeld educatieve films over het gevaar van malaria op het platteland of volgen wat doorgaat voor verkiezingen, maar kennelijk zag Soutiponh dat niet als een oplossing. Hij begon een bakkerij. Het bezorgde hem twee in Laos spaarzame dingen. Een behoorlijk inkomen en een zekere vrijheid om aan zijn filmplannen te blijven werken. Men zegt dat het vooral mevrouw Soutiponh was die van de bakkerij een succes maakte en nadat ik haar in Vientiane heb ontmoet denk ik dat dit best zou kunnen. De maker van de meest recente Laotiaanse speelfilm - ja, diezelfde Red Lotus uit 1988 - was even niet in het land. Hij was in buurland Vietnam om als altijd nieuwe filmplannen te bespreken. In de bakkerij werd ik door de vrouw van de bakker/cineast warm onthaald en ik bedacht me dat het maken van films in sommige landen toch wel onevenredig veel moeite kost.

Cambodja is vergeleken met Laos een bruisend en bijna frivool land, maar het kent toch ook maar één cineast die met regelmaat een film maakt die de moeite waard is en dat is de vanuit Parijs opererende Rithy Panh. Toch wordt er in Cambodja gefilmd. Het laatste jaar zelfs opvallend veel. Een aantal filmmakers heeft ontdekt wat het locale publiek leuk vindt en maakt nu in hoog tempo genrefilms - gedraaid op video - voor de eigen markt. Dat begrip eigen markt kun je vrij letterlijk nemen. Zo ontmoette ik in Phnom Penh de ondernemer/cineast Heng Tola. Tola heeft een eigen productiemaatschappij, een cameraverhuurafdeling en een eigen bioscoop. Amerikaanse films kan hij zich niet veroorloven en sinds een paar jaar geleden wodende Cambodjanen de Thaise ambassade in brand staken kan hij ook geen Thaise films meer huren. Waarop hij besloot dan maar zelf films voor zijn bioscoop te draaien. Hij bedacht dat mensen graag verhalen zien die gebaseerd zijn op ware gebeurtenissen en ging monter aan de slag. Hij gaf me na een bezoek aan zijn bioscoop Kiricom Cinema een flinke stapel dvd's mee en kondigde aan onverdroten verder te gaan met zijn reeks.

Het zijn geen films waar ik op het festival mee aan kan komen al is dat ergens misschien wel jammer. De films zijn hoogst curieus, niet slechter gemaakt dan een Nederlandse televisiesoap en oneindig veel emotioneler. Sentimenteler zou je ook kunnen zeggen, maar dat doet geen recht aan de hartverscheurende emoties. Tearjerkers, zeker, maar ook dat is een vak dat je moet beheersen en de veelzijdige manager van de Kiricom Bioscoop beheerst het. Neem zijn film Katanho/Gratefulness waarmee hij de derde prijs won tijdens het nationale festival van dit jaar. De film speelt zich af in een klein dorpje en de hoofdpersoon is een jong meisje. Het meisje verliest haar vader door een ongeluk en haar moeder wordt ziek. Haar oma is zeer hulpbehoevend. Het meisje wordt verzorgster en kostwinster en rent van en naar school omdat ze toch wil doorleren. Ze klaagt niet en daardoor weet haar juf niets van haar problemen. Op een dag moeten de leerlingen een eigen gedicht voordragen. Het meisje vertelt dan eindelijk in poëzievorm over haar moeilijk leven. Het is bijna ondraaglijk sentimenteel. Hooglied en klaagzang ineen. Ze huilt hartverscheurend en blijft maar doorgaan met reciteren.

Ik had het gevoel dat er geen einde aan kwam; dat Tsai Ming-liang hier met grovere middelen werd verslagen. Hoewel ik vind dat film gaat over gevoel en eerste indrukken heb ik toch maar nagekeken hoe lang de scène werkelijk duurt. We leven tenslotte in het dvd-tijdperk. Het meisje Molika huilt naar beneden afgerond vier volle minuten op volle kracht. Onbekommerd en onbeschaamd rekt Tola dat door vele overvloeiers uit tot een veelvoud van vier. Wie mij na die eerste keer kijken had gezegd dat de scene veertig minuten duurt, had ik geloofd.