Weblog Homefront USA 6, september 2003
door Gertjan Zuilhof
Poppen voeren oorlog en doorbreken taboes
Je hebt een pop. Je trekt hem een pakje aan (of juist uit) en je kunt er voor een camera mee doen wat je wilt. Grenzen zijn er eigenlijk niet aan het genre van de poppenanimatie en heel ingewikkeld of duur om te maken is het ook niet, als je maar veel ijver en geduld hebt.
Onder heel jonge Amerikaanse filmmakers, soms nog studenten, is de poppenanimatie momenteel mateloos populair. Niet dat het altijd een denderend resultaat oplevert. Dit soort filmpjes bevatten niet zelden onverdraaglijk veel puberhumor. Niet zelden ook zijn voor de gelegenheid de speelgoed- en actiepoppen uit de jongens- of meisjeskamer naar de studentencampus verhuisd voor lacherige filmpjes vol meligheid.
Maar, het gaat natuurlijk om de uitzonderingen op de regel. Ik zag er een heel aantal tijdens Cinematexas, het innemende festival voor korte (en ongebruikelijke) films in Austin (inderdaad in Texas, voor deze rubriek was een bezoek aan het hol van de leeuw geboden).
Het grote voorbeeld in dit genre van melige jeugdsentimentanimatie is Superstar: The Karen Carpenter Story (1987) een camp-Barbie-minimelodrama van de toen piepjonge Todd Haynes (Velvet Goldmine, 1998; Far From Heaven, 2002).
Dit weinig vertoonde meesterwerkje (het was een keer in Rotterdam, maar er kleven nogal wat copyright-kwesties aan het filmpje) bevat al alle ingrediënten van de huidige handgemaakte poppenavonturen (oftewel stop-motion narrative). Het is satirisch over de massacultuur en met name over populaire televisieprogramma’s uit de jeugd van de makers. Voor Haynes waren dat de jaren zeventig en voor de nieuwe lichting de jaren tachtig. Er wordt geanimeerd met bestaande (speelgoed)poppen. Voor Haynes waren dat Barbies en nu zijn poppen van Schwarzenegger of Harrison Ford populair, naast meer anonieme plastic helden en heldinnen.
Een derde niet onbelangrijk kenmerk is dat in tegenspraak met hun ambachtelijke techniek en hun vaak kinderachtige protagonisten deze filmpjes alle denkbare taboes breken wat betreft seks en geweld. De jonge filmmakers leven hun meer dan volwassen fantasieën uit met het onschuldige speelgoed van hun jeugd. Een contrast dat een bewust perverse franje geeft aan veelal inktzwarte humor. Voorlopig hoogtepunt van het genre is voor mij Viva la Guerra van Paul Hanley (en zijn medewerkers, coschrijvers en vrienden Kieran Healy en Lee Sparks).
De film is nog een work-in-progress, maar ik kon hem als mede-jurylid in Austin toch al met veel genoegen een prijs overhandigen. Hanley vertrok vanuit het idee om met eenvoudige poppen (als een Harrison Ford-actiepop) de definitieve Vietnam-film te maken. De film heeft de satirische, burleske humor van het genre, maar is veel en veel beter gemaakt dan de gemiddelde poppenanimatie. Met het werk van de grote studio’s moet je het niet vergelijken (maar die moeten hun perfectie ook bekopen met totaal onschadelijke verhalen), maar het ziet er wonderlijk goed en zeer bewerkelijk uit en de film is onbedaarlijk geestig.
De film beperkt zich bepaald niet tot Vietnam, eigenlijk heeft bijna iedere oorlog waar Amerikanen de afgelopen twee eeuwen bij betrokken waren (ja, het zijn er heel wat) een plaats gekregen. Hanley vertelde me dat ze al drie jaar aan de film werken (alle uniformen zijn zelf genaaid) en dat ze intussen 11 september en twee oorlogen verder zijn. De meest recente gebeurtenissen kregen een plaats in de opening die daarmee effectief de toon zet voor een film die het fenomeen oorlog met grimmige humor bestookt.
De campy, melige, satirische en zeker niet fijnzinnige poppenanimatiefilmpjes lijken mij in toon en stijl verwant aan de ook vaak wat grove en onbeholpen digitale-animatiefilmpjes die momenteel veel voor internet worden gemaakt. Ook hier worden de tien bekendste gezichten op aarde (van Britney tot George W.) met minimale subtiliteit en souplesse in beweging gezet met (het moet gezegd) vaak een maximaal humoristisch effect. Niet iedereen is gecharmeerd van dit soort grofstoffelijke humor, maar ook subtiliteit kan verkeerd vallen.
Zo maakte de Oostenrijkse kunstenares Carola Dertnig een fijnzinnig filmpje in het World Trade Center. Voor de aanslag had ze hier tijdelijk een atelier (vanwege een beurs). Ze kwam er niet tot werken en daarom legde ze haar omgeving vast en verhuurde zich als gids om mensen de lege zalen van failliete dotcom-bedrijven te laten zien. Geen woord in het filmpje over de aanslag. En dat schijnt in Amerika nog niet te kunnen. Het verhaal mag niet verzwegen worden. In New York kon ik recentelijk constateren dat al die 9/11-vlaggen vaal, vies, vergeten en verschoten zijn, maar een film mag daar blijkbaar nog niet aan refereren.