Weblog Homefront USA 8, november 2003

door Gertjan Zuilhof

Het straatinterview is waarschijnlijk de laagste en minst gerespecteerde vorm van journalistiek. Alleen als de nieuwsrubrieken het echt niet meer weten, of willen laten zien dat ze ook wel eens buiten komen, stappen ze de Albert Cuypmarkt op en vragen (een inmiddels geroutineerde) marktkoopman naar zijn niet ter zake doende mening. Een beetje couleur locale en dan snel weer terug naar de deskundigen met hun wollige voorspelbaarheden of de beroepspolitici die ijverig pogen marktkoopman en deskundige in één te zijn.

Maar het straatinterview kan ook een kunst zijn. Misschien zelfs de basis van een nieuw genre dat kan uitgroeien tot een ondogmatische en onacademische ethnografische filmstijl die onze tijd en onze cultuur kan vastleggen ook al hebben we geen stamverbanden en rituelen meer. Belangrijkste voorwaarde van deze benadering is tijd (als met vele andere zaken). Een middagje de markt op is niet genoeg. Vooruitlopend op een nadere definiëring van het genre (want eigenlijk zit natuurlijk niemand te wachten op nieuwe genres en definities) geef ik drie concrete voorbeelden.

Één. Parallel Lines van Nina Davenport. De film van Davenport had ik graag in Roterdam gezien, maar haar producent ging liever naar Amsterdam (IDFA). Met verlies moet je leren leven. Davenport is een charmante New Yorkse die ten tijde van de aanslag op het World Trade Centre (waar ze vlak bij woont) aan het werk was in San Diego in Californië. Eenmaal klaar met haar opdracht voelde ze er niets voor om naar huis te vliegen (ze was op dat moment niet de enige Amerikaan met vliegangst) en besloot om de tocht van west naar oost met de auto af te leggen en onderweg te filmen hoe het stond met haar land (dat inmiddels in Afganistan in oorlog was) en haar landgenoten. Niet in de laatste plaats door haar charme krijgt ze de vreemdste figuren aan de praat (een stel in tenten in het bos wonende oorlogsveteranen zijn zo fraai dat het inderdaad niet verzonnen kan zijn). En ze maakt de nodige omwegen (bijvoorbeeld langs Oklahoma en Waco) die de reis meer betekenis geven.

Twee. Just Another Day in the Homeland van John Maringouin (die toen ik de film voor Rotterdam selecteerde nog John Landrum heette en geboren werd als John Roe III). Maringouin/Landrum/Roe was ook al met iets anders bezig toen de oorlog (een volgende, die tegen Irak) uitbrak. Hij werkte aan een documentaire over de drugsverslaving van zijn vader. Op de dag dat Bush de oorlog aan Hussein verklaarde ging hij spontaan de straat op (in Los Angeles) en filmde de reacties op de oorlog in een aangename lentezon. Demonstraties, tegen-demonstraties, maar ook bijvoorbeeld een kerkdienst waarin Triumph des Willens van Leni Riefenstahl werd vertoond. Misschien nog in de sfeer van zijn project over drugsverslaving bracht Maringouin droomachtige, ja soms ronduit psychedelische elementen in zijn film. Je zou het van een straatinterviewfilm niet verwachten, maar in een film over (angst en) oorlog blijkt het toch goed te werken. Het onthutsende van het genre blijkt ook hier: mensen hebben eigenlijk weinig benul van wat er in de wereld gaande is. En ze lijken dat ook helemaal niet erg te vinden. Zelfs de oorlogsveteranen hebben hun lesje niet geleerd. Waar deze film natuurlijk wel onthullender door wordt.

Drie. This Ain't No Heartland van Andreas Horvath. Horvath (Oostenrijker) is de uitzondering op de regel dat het Homefront-programma uit werk van Amerikaanse filmmakers bestaat. Hij trok zich tijdens de oorlog tegen Irak terug op het platste platteland van Amerika, de beruchte (saai land, achterlijke bewoners) Mid-west. Ze hebben daar zo hun eigen zorgen. De klassieke landbouw is weggevaagd en heeft een ontgoochelde bevolking achtergelaten die op een kaal land in vervallen huizen probeert te overleven. Alles de schuld van de regering natuurlijk. En het zijn bepaald geen verhelderende politieke of maatschappelijke beschouwingen die in de kroeg over tafel gaan. Horvath is een zorgvuldig observator. Een filmmaker met een groot fotografische talent die het landschap in zijn verhaal laat meespreken. Die door zijn geduld mensen zonder redenaarstalent kan laten uitpraten en zijn sympathie voor zijn personages aan de kijker kan doorgeven. En daarmee kom ik op de crux van dit genre dat wellicht geen genre kan zijn. Het staat of valt met een zeer persoonlijke benadering en daarmee met de persoonlijkheid van de filmmaker.

Goed, misschien moet ik dat van dat genre maar vergeten. Wat deze films gemeen hebben is een sterke persoonlijke benadering en een afkeer van politici en deskundigen. Ze luisteren niet naar 'gewone' mensen (die in deze films eigenlijk vooral raar, dronken, kortzichtig en egoïstisch zijn) om een aandoenlijke illustratie te verzameling voor een ander verhaal, maar laten ze het verhaal zelf vormen. Geen peiling, geen statistiek, maar gewoon laten zien hoe mensen ver van de televisiewerkelijkheid leven. Ook al word je daar niet optimistisch van. Zou het genre daarom kansloos zijn?