(foto:
Tropical Malady van Apichatpong Weerasethakul (Thailand)
door Gertjan Zuilhof
Tegen de tijd dat u dit leest hoop ik op het filmfestival van Cannes 2004 de nieuwe film van
Apichatpong Weerasethakul (Thailand) te hebben gezien. Ja, een naam waar je even op moet oefenen. Sinds zijn studie in Amerika (onder andere in Chicago) laat hij zich daarom maar Joe noemen. Weerasethakul (ieder zo zijn gewoontes, maar ik noem een Thaise regisseur niet bij een Amerikaanse voornaam) is zonder twijfel één van de interessantste filmmakers (en kunstenaars, hij is ook door de museum- en galerie-wereld ontdekt) van het moment. Dus niet alleen van Zuidoost Azië en zeker niet alleen van Thailand.
Weerasethakuls
Blissfully Yours (Sud senaeha), 2002 was met gemak de meest vreemde en meest originele film van het Cannes van dat jaar. Nu draait/draaide zijn nieuwste,
Tropical Malady, in de meest prestigieuze competitie ter wereld, maar toen in de tweede divisie 'Un Certain Regard'. Voorstellingen waar de Fransen (die nog weten wat culturele educatie is) hele middelbare schoolklassen heensturen (en bedenk dat het voor professionals soms moeilijk genoeg is om binnen te komen) die toch weer niet zo goed zijn opgevoed of ze gaan luid giechelen of telefoneren bij een film die ze niet kunnen volgen.
Goed, weinig scholieren meer in de zaal aan het einde van
Blissfully Yours. Een film die soms zijn eigen hoofdpersonen lijkt kwijt te raken en met een wonderlijk gemak halverwege een heel nieuw verhaal begint. Die scholieren viel eigenlijk niet veel te verwijten. Ook doorgewinterde deskundigen verlieten hoofdschuddend de zaal. En de kenners die bleven en zeiden de film te bewonderen konden hem ook niet na vertellen.
En wat te denken van die openingstitels die pas halverwege de film opduiken (en dus voor menige scholier en niet liefhebbende kenner het sein vormden om de zaal te verlaten)? Hij won overigens met deze vreemde, verwarrende, exotische en erotische film de prijs van 'Un Certain Regard'. Want ondanks de wat moeizame ontvangst (en toegankelijkheid) was het kennelijk toch duidelijk genoeg dat hier een bijzonder talent zichbaar werd.
Het International Film Festival Rotterdam was er overigens snel bij in dit geval (om ons eens ijdel op de borst te slaan). Weerasethakuls eerste film
Mysterious Object at Noon (Dogfar nai mae marn), 2000 werd door het Hubert Bals Fonds ondersteund en ging in Rotterdam in wereldpremière (en om de ijdelheid wat af te zwakken kan worden gemeld dat hij voor de Tijger Competitie werd gepasseerd).
Tijdens de Berlinale 2004 (en later dat jaar in het Nederlandse Cinemasia festival) was nog een curiositeit te zien waar Weerasethakul mede de hand in heeft gehad. Samen met
Michael Shaowanasai (een zogenaamde Thai-American) maakte hij de behoorlijk
over the top gaande gay-campy genreparodie
The Adventure of Iron Pussy. Afgaande op mijn gevoel lijkt de film mij meer Shaowanasai (die ook de hoofdrol van travestiete
undercover agent speelt) dan Weerasethakul, maar hij geeft wel aan dat Weerasethakul zich niet wil beperken tot fijnbesnaard exotisch surrealisme.
Weerasethakul mag dan nu het grootste en meest zichtbare talent zijn uit Zuidoost Azië, hij is zeker niet het enige. In het buurland Maleisië is de opmerkelijk productieve
James Lee (een Maleisiër van Chinese afkomst) werkzaam. Dankzij het fenomeen digitale video maakt hij in een land zonder enige infrastructuur voor onafhankelijke film de ene (video)film na de andere. Wonderlijk gestileerde films met wonderlijke verhalen.
Tijdens het International Film Festival Rotterdam in 2004 was van hem de korte film
Goodbye (Chai Jian) en de lange film
Room to Let (You fang cho zu) te zien en onlangs zag ik in Oberhausen nog een kortje (
Teatime with John) dat ook al intrigerend en goed was, maar niet door Oberhausen werd geselecteerd.
Inmiddels heeft Lee van een bevriende filmmaker een fraaie film-in-wording aan het Hubert Bals Fonds laten zien en mag je gezien zijn recente productie verwachten dat een nieuwe eigen film al weer bijna klaar is. Ik wil maar zeggen; van Lee zullen we nog meer horen.
Het is niet mijn bedoeling om een half continent in een column te belichten. Ik wil om te beginnen aanstippen dat er in deze regio een aantal belangrijke filmmakers aan het werk zijn en dat zij bovendien niet alleen aan een eigen oeuvre werken. Een
Garin Nugroho in Indonesië is niet alleen van belang vanwege zijn eigen eigenzinnige, esthetische en politieke opvattingen, maar ook door zijn positie als leraar en producent voor een nog jongere generatie Indonesische filmmakers. Want, dat is misschien ook opmerkelijk; de nieuwe meesters uit Zuidoost Azië zijn zelf nog jong. Misschien omdat ze zelf nooit echt leerlingen waren.
In de Filippijnen is ook zo'n zelfgeschoolde jonge meester aan het werk. Hij heet
Lav Diaz en leverde al minsten één huzarenstuk af. In de Filippino-gemeenschap in New York draaide hij in stemmige, soms duistere beelden de vijf uur durende speelfilm
Westside (Batang). Diaz arriveerde overigens in een winters New York om een politiefilm over de moord op een jonge Filippijnse immigrante te maken van een normale lengte. Maar de inspiratie nam de macht over.
En er is veel meer. Genoeg voor een boeiend programma en genoeg voor een bedachtzame reeks columns over een ontluikende cinema.