Weblog White Light 6

Ik schreef eerder over John Price. Zie White Light 4. Omdat ik voor het meest gestroomlijnde festival ter wereld toch in zijn woon- en werkplaats Toronto was, heb ik hem opgezocht. En een aantal van zijn films in de viewingruimte van het Canadian Filmmakers Distribution Centre in projectie bekeken. Over drugs hebben we het niet gehad. Na zijn nervositeit te hebben overwonnen spreekt Price behalve over zijn jonge vaderschap vooral over filmformaten, camera’s en emulsies. Over licht en kleur. Of de kracht van zwart-wit. Een gevoelige technicus en alchemist.
door Gertjan Zuilhof
De betoverende kracht van Price's handgemanipuleerde beelden berust echter geheel op intuïtie. Hij is toch geen techniekfreak en zeker ook geen theoreticus. Hij zoekt tastend zijn weg door de chemie van de filmbeelden. Tijdens die zoektocht is er doping in het spel, maar daar hebben we het - als gezegd - niet over gehad.
Price benadert de wereld van chemische hallucinaties als het ware met een fijn penseel.
Maar de wereld van de meer duistere narcocinema laat zich ook met een moker benaderen. Heel anders, maar niet minder effectief. Nicolas Winding Refn is de filmer met de hamer. Refn is een Deense filmmaker, maar hij bracht zijn kinder- en jeugdjaren door in New York. Daar zag hij zijn eerste genrefilms en zag hij de mean streets van Scorcese ook in het echt. Refn baarde in de festivalwereld in 1996, hij was toen net 25 jaar, opzien met het harde en realistische Pusher. Een portret van een dope dealer dat als een mix van Deens Dogma en Amerikaans gangstergenre werd gezien en gewaardeerd. Het bracht het harde realisme terug in een genre dat te veel in zijn eigen clichés was gaan geloven. Refn maakte nog enkele gewaardeerde films tussendoor om nu terug te keren met niet minder dan twee vervolgen op zijn eerste Pusher.
Pusher II werd op het afgelopen festival van Rotterdam al gedraaid en het laatste deel, Pusher III, I’m the Angel of Death, is de overtreffende laatste trap van deze verbluffende trilogie. De kracht van de films zit hem in het gevoel van authenticiteit. Of Kopenhagen nu echt bevolkt wordt door gewetenloze Servische dealers en Albanese criminelen die nog gewetenlozer willen zijn, de film doet je geloven dat het zo en niet anders is. Bij Refn geen acteurs die Amerikaanse filmgangsters nadoen, maar acteurs waarvan je vergeet dat ze acteur zijn omdat je een echte Servische dealer ziet. Of Macedoniër, daar wil ik vanaf zijn.
Pusher III volgt de middelbare crimineel Milo (geen kleine en geen grote) op de wonderlijke dag dat hij zich moet melden bij een afkickpraatgroep, hij de verjaardag van zijn verwende vijfentwintigjarige dochter Milena moet organiseren en zijn positie als dealer wordt ondergraven door heethoofdige Albanezen. Refn volgt zijn bedoeningen met een vloeiende chronologische beweging. Onder druk gezet neemt Milo steeds grote hoeveelheden drugs om zich op de been te houden, wat ten slotte uitloopt op een fatale uitbarsting.
Voor wie moeite had met de laatste scènes van The Great Ecstacy of Robert Carmichael van Thomas Clay (zie White Light 3) is een waarschuwing op zijn plaats. Milo roept de hulp van een voormalige Balkan-beul in om de rommel (lees lijken) op te ruimen. Verder zeg ik slechts dat Refn zich in een interview heeft laten ontvallen dat hij als jongen diep onder de indruk van The Texas Chainsaw Massacre was (van deze slasher aller slasher-films wordt meestal niet de regisseur vermeld, maar het is Tobe Hooper).
De verbeelding van drugsgebruik en het drugsmilieu kan ook heel goed zonder geweld en zonder hallucinaties. Philippe Garrel heeft als drugsfilmer een reputatie hoog te houden en als ex van ex-Velvet Underground Nico is hij niet minder dan een ervaringsdeskundige. Films als J’entends plus la guitare en Sauvage innocence zijn narcocinematografische klassiekers.
In Garrels laatste film Les amants reguliers is het drugsgebruik achteloos en vanzelfsprekend verweven. De film speelt zich af tijdens en vlak na de beroemde onstuimige mei maand van 1968 in Parijs. Een groepje jonge studenten vindt onderdak in het huis van de dealer en gebruiker Antoine, de enige die nooit geldgebrek heeft. De film is gedraaid in een zwart-witte nuchterheid. Geen hallucinaties, of het moeten de vreemde Franse Revolutie-beelden zijn die aan begin en einde de zaak in de droomwereld trekken.
De film is al met de groten van de nouvelle vague vergeleken en met Bresson en Eustache, maar volgens mij wordt dan vergeten dat de weliswaar jonge Garrel het allemaal zelf heeft meegemaakt en er bovendien met zijn neus bovenop zat. Garrel putte voor deze film vooral uit eigen ervaring en het is eerder een autobiografie (met zijn eigen zoon als jonger alter ego in de hoofdrol) dan een ode aan de nouvelle vague (die in 1968 al ernstig op zijn retour was).
Ten slotte. De narcocinema is geen filmisch genre. De chemische hallucinaties van Price blijven experimentele cinema, de verwoestende noodlottigheden van Refns dealers blijven gangsterfilms en Garrel maakt zoals altijd poëtische Europese kunstfilm. Drie totaal verschillende posities en verbeeldingen die eigenlijk vooral hun kwaliteit gemeen hebben.