Weblog White Light 7


Men zegt dat je nooit moet overdrijven. Dus om te zeggen dat Yaji and Kita, The Midnight Pilgrims, van de debuterende Japanse filmmaker Kankuro Kudo (1970) de meest uitzinnige, dwaze en onwaarschijnlijke film zal zijn die op het komende festival van Rotterdam vertoond gaat worden heeft alleen zin als je de kijkers er niet mee teleurstelt. Nu, dat gevaar is hier afwezig.

door Gertjan Zuilhof

Om The Midnight Pilgrims over the top te noemen is eigenlijk een understatement. Het gaat hier om niets minder dan een explosief mengsel van alles dat camp, comics, kolder, games, neopostmodernisme en commercials heeft voortgebracht. Vorig jaar was in Rotterdam Survive Style 5+ van generatiegenoot en ook debutant Sekiguchi Gen. Voor die film schoten al de woorden te kort. Sekiguchi en Kudo zijn niet het soort filmmakers die via 8mm middelbare schoolfilmpjes of de videosectie van kunstacademies tot een bescheiden eerste film komen. Het zijn sterren voordat ze hun debuut maken. Sekiguchi was een duurbetaalde commercialberoemdheid voordat hij zijn fantasie in Survive Style 5+ volledig de vrije loop liet en Kudo was een gevierde scenarioschrijver die met zijn met pen menige film en televisieserie in goud deed veranderen. Sekiguchi San en Kudo San konden met andere woorden hun gang gaan en dat zullen we weten ook. U bent gewaarschuwd.

Als de film opent kun je niet vermoeden dat één van de gekste en origineelste drugsfilms gaat volgen. Het beeld is zwart-wit en de hoofdpersonen zijn gekleed als in klassieke samoeraifilms. Maar dat duurt maar even. Hoofdpersoon Yaji wordt geïntroduceerd als hij zit te vissen aan de kant van de rivier. Een langsdrijvend lijk op een soort deur wordt gevolgd door vele andere deurlijken die vervolgens in computerspelformaties door het water gaan. Een droom. En een wel erg 21ste- eeuwse droom voor een kleine handelaar uit het Edo-tijdperk. Yaji heeft een vrouw (die hij per ongeluk vermoordt), maar ook een homoseksuele relatie met Kita. Een springerige geblondeerde acteur die zwaar verslaafd is aan blauwe pillen (want de film blijft natuurlijk niet zwart-wit). De verslaving van Kita is volledig uit de hand gelopen en ze besluiten een pelgrimstocht naar de Iso-tempel te maken om genezing af te smeken (en stiekem kan Yaji dan boete doen voor de moord op zijn vrouw). Tegen de tijd dat ze vertrekken, verbaast het allang niet meer dat ze door een popdansgroep worden uitgezwaaid en de legendarische motor uit Easy Rider als vervoermiddel voor ze klaar staat.

De verslaving van Kita en zijn ontwenningsverschijnselen vormen menige aanleiding tot uitbundige surrealistische taferelen. Tegen de tijd dat hij aan het slot van de film in een soort hemelse headshop langzaam in een hallucinerende paddenstoel verandert vind je dat binnen de film al heel gewoon.

De bron voor de film - het lijkt onvermijdelijk - is een beroemde manga van tekenaar Kotobuki Shiriagari. Hij baseerde zich daarbij op een nog beroemder twee eeuwen oud boek, de Tokaidochu Hizakurige, over de reis van twee pelgrims van Edo naar de Iso-tempel en alle obstakels die ze moeten overwinnen.
In de versie van Kudo is alles overdrijving, alles parodie, alles dwaasheid en bovendien vaardig surrealistisch in beeld gebracht. Kudo is een filmmaker voor wie alles kan en mag. De overdonderende vormgeving is zeker commercieel, maar het verhaal over twee homoseksuelen - één de moordenaar van zijn vrouw, de andere een notoire junkie - is dat toch eigenlijk niet. De film heeft het aan de box office in Japan aardig gedaan, maar een veilige investering is het zeker niet geweest. De verslaving van Kita speelt daarvoor een te bepalende rol in de film, vooral omdat zijn hallucinaties, dromen en nachtmerries een substantieel deel van de film uitmaken.

De film is pop in alle betekenissen van het woord. De acteur die Yaji speelt (Tomaya Nagase) speelt verdienstelijk in de band Tokio en ook de regisseur heeft zijn eigen punkband. Uit de geluidsband spreekt een duidelijk popmuzikalevoorkeur. De vormgeving van de film is popart van deze tijd; de bronnen zijn legio en zonder schroom zijn alle verwijzigen en ontleningen gemengd, van oude houtsneden tot manga, van klassieke films tot computergames.

Naast alle virtuoze en virtuele dwaasheid heeft de film ook nog ruimte voor een soort melancholische onderlaag. Daarin worden niet alleen verschillende werkelijkheden en droomwerelden verkend, maar wordt ook achteloos de rivier tussen dood en leven overgestoken. Want het allereerste beeld van een vrouw die dwangmatig ieder nacht rijst wast, is eigenlijk gewoon mooi en droevig.

Kudo’s film bevat genoeg materiaal voor een handvol speelfilms, maar juist het feit dat dit allemaal in één film is geperst, maakt de charme ervan uit. Dat je nooit moet overdrijven is een gezegde dat geen hout snijdt bij een hallucinerende komedie. Dan is het gekste nog niet gek genoeg.