White Light 8
door Gertjan Zuilhof
Op papier heeft COCAINE ANGEL van Michael Tully alles tegen zich. Er zijn gewoon te veel Amerikaanse zogenaamde independents gemaakt over verslaafden. Altijd met dezelfde aftakeling. Het rituele gebruiken. De vervreemding van de omgeving. De uitbarstingen van geweld en het zwaaien met veel te nieuwe pistolen. En met mooie, ook verslaafde, vrouwen die dan weer niet afgetakeld zijn en dat open en bloot moeten laten zien. De Amerikaanse scout van het festival, die eigenlijk overal enthousiast over kan worden, had hem ook niet het hoogste cijfer gegeven en daarom was Cocaine Angel, ten onrechte naar zijn blijken, op de verkeerde stapel terecht gekomen.
Die stapel is de rijstebrijberg van holle bolle Gijs. In een tijd dat een scholier met zijn agenda een dvd kan branden is een schijfje voor een festival zo verstuurd. Als je niet alles kunt zien. Niet alles meteen kunt zien. Dan bewaar je dingen voor later. Dingen die je op het eerste gezicht minder kansrijk acht. Omdat je je daar lelijk in kunt vergissen, moet je toch een keer door die stapel heen. De stapel waar toch maar Cocaine Angel in zat. En uiteraard veel meer.
Na die stapel is het eenvoudig om te beweren dat er veel slechte drugsfilms worden gemaakt. Ik zal het niet statistisch onderbouwen, maar het is niet gewaagd om te beweren dat het merendeel slecht is. De kans dat een drugsfilm goed is ligt zelfs aanzienlijk lager dan bij drugsvrije films. De kans op clichés is gewoon groter. De kans dat het niet overtuigt is bijna onoverkomelijk. Dronkenschap in film is lastig, maar de high van een gebruiker is vaak zo verinnerlijkt dat iedere beweging in beeld snel te veel wordt. Vergelijk het met seks in film. Filmseks kan vreselijk zijn. Plat. Kitscherig. Plastic. Voorspelbaar. De lakmoesproef voor de drugsfilm dringt zich snel op. Na de o zo vaak obligate seksscène in een drugsfilm hoef je vaak niet meer verder te kijken.
Je zou, ik denk met veel recht van spreken, kunnen beweren dat ook slechte drugsfilms een wezenlijk onderdeel vormen van het fenomeen. Wat dat betreft is een filmfestival misschien helemaal niet de ideale plaats voor een veelomvattend filmprogramma over drugs, want voor een festival moeten de films goed zijn, esthetisch zijn, boeiend en vernieuwend zijn en dat zijn in het licht van de pakweg sociaalfilosofische drugswetenschap belachelijke criteria.
En of je ook het omgekeerde kunt beweren? Dat de echt goede drugsfilms de wetenschappers juist minder te vertellen hebben? Omdat ze ingesleten patronen vermijden? Omdat ze geen vorm geven aan de regel, maar aan de uitzondering? Omdat hun vorm zo ongrijpbaar is dat de boodschap niet meer eenduidig is? Het wordt misschien wat academisch. Mijn excuses hiervoor.
En na het zien van de laatste stapel - die nooit echt de laatste stapel kan zijn - wordt maar weer eens duidelijk dat een programma nooit af kan zijn. Sterker nog. Een programma wordt naarmate de deadline nadert alleen maar minder af. Dan wordt pas echt duidelijk hoe weinig het bijna voltooide programma lijkt op het gedroomde programma dat je ooit voor ogen stond.
Ik zal niet beweren dat Cocaine Angel een meesterwerk is. Maar het is een rauwe en authentieke film die nagenoeg iedere vakkuil van het genre weet te vermijden. Dat begint al snel na de opening. Na 8mm beelden van gelukkiger tijden. De junk wordt wakker met een bloedend been en zet zich aan het ritueel van het prepareren van zijn dagelijkse dosis. Veel filmmakers maken zich hier vanaf of ze maken er juist een soort laboratoriumopstelling van, maar Michael Tully begrijpt, en dat wil hij ons ook laten zien, dat het hier gaat om het belangrijkste moment van de dag. Het belangrijkste moment van het leven. Een leven waarin elke dag een belangrijk moment moet zitten. Verder is de junk van Tully ook atypisch. Hij is net zo verloren als alle andere junks, maar hij heeft nog een huis en een auto en een dochter en een ex-vrouw. Aan het begin van de film staat hij weliswaar al buiten het gewone leven, maar kennelijk nog niet zolang. Aan het einde van de film staat hij nog steeds buiten het gewone leven, maar misschien niet zover. En daar gaat de film over, over het verschil tussen niet zolang en niet zover. En hoe groot die overbrugging kan zijn.
En dan zijn er natuurlijk al die films die wel iets over drugs te zeggen hebben, maar nog over zoveel meer gaan. Bijvoorbeeld SPIELE LEBEN (You Bet Your Life) van de Oostenrijker Antonin Svoboda. Een goed gemaakte, goed gespeelde en inventieve film over gokverslaving, die uitloopt op een drugsroes, maar toch echt een film over gokken is. Svoboda geeft daarbij zeker een goed beeld van de obsessie van de verslaafde, alleen is de verslaafde aan iets anders verslaafd. En je moet toch ergens een grens trekken. Hoe arbitrair dan ook.