White Light 9
door Gertjan Zuilhof
Ik heb me bij het samenstellen van het
White Light programma beperkt tot die films die van voor tot achter over drugs of de gevolgen ervan gaan. Positieve of negatieve gevolgen. Serieus of satirisch. Echt of onecht. Somber of vrolijk. Alles was welkom.
Maar films gaan niet altijd over één ding. Soms vergeten ze waar ze mee begonnen of ze eindigen anders dan ze dachten. Neem de Uruguese Tigerkandidaat
La perrera (The Dog Pound) van Manuel Nieto Zas. In geen beschrijving is te vinden dat lokaal gekweekte marihuana daar een belangrijke rol in speelt. Misschien omdat het zo gewoon is als zelfgestookte alcohol in een Russische komedie. Het is er gewoon. Het wordt gebruikt. En ja, het tekent de sfeer. Hoofdpersoon David in La perrera wil eigenlijk liever langer studeren in de stad en zijn examen doen. Maar echt heftig verzet hij zich niet als zijn vader hem naar een afgelegen kustplaatsje stuurt om een eigen huis te bouwen. Het plaatsje is leeg en lusteloos. Een paar vergeten mannen. Geen vrouwen. Wel veel honden. Behalve de dealer in wiet lijkt niemand zich met enige economische activiteit bezig te houden. David rookt ‘s avonds zijn joint onder de sterren en lijkt zich overal bij te hebben neergelegd. Een tevreden roker. Zo loopt de film niet af, maar dat is een ander verhaal.
Tideland van Terry Gilliam begint als de ultieme absurdistische drugskomedie. Een wild surrealistisch verhaal over de nog maar tien jarige Alice-in-Wonderland-achtige Jeliza-Rose. Een vroegwijs meisje dat haar verlopen en verslaafde hippieouders verzorgt. IJverig kookt ze hun spuiten uit voor hun overdadige heroïnegebruik. De bedlegerige, maar toch bij vlagen hysterische, moeder sterft als eerste aan een overdosis. Jeliza-Rose's vader, de rock-gitarist Noah (gepast vet-schmierend gespeeld door Jeff Bridges), vertrekt na de dood van zijn vrouw met Jeliza-Rose op stel en sprong naar zijn geboortegrond. Een onbestaand platteland (gefilmd in de Canedese leegte van Saskatchewan) waarin Gilliam’s chaotische fantasieën werden nagebouwd (en vervolgens weer opgeblazen). Misschien stond Bridges maar voor korte tijd onder contract, in ieder geval sterft hij snel na aankomst ook aan één van zijn kleine vakanties zoals hij zijn drugsroes noemt. Jeliza-Roze kan zijn dood niet accepteren en zo blijft haar vader als steeds verder wegrottend lijk nog lang een zwijgende rol in de film spelen. De drugs zijn dan de film uit, maar de gekte in het geheel niet. Jeliza-Roze leert de gestoorde Dickens kennen die bepaald geen drugs nodig heeft om in een andere wereld te leven.
Van Dickens is het een kleine stap naar James. James is de overduidelijk gestoorde zoon van het minder duidelijk gestoorde echtpaar Brockleband. Lord and Lady Brocklebank. Zeer oude en zeer verarmde adel. Ze vormen de hoofdrollen in de film
The Living and the Dead van Simon Rumley. In de oorspronkelijke productieinformatie heette de film nog intrigerender, maar minder catchy, The Living In The Home Of The Dead. Het huis is een onmetelijk, maar kaal, leeg en vervallen landhuis. Het is lang geleden dat hier nog een bruisend gemaskerd bal plaatsvond of een jachtpartij met de beste wijn werd afgesloten. Het is goed mogelijk dat het hele huis en zijn verdwaasde familie zich alleen in het hoofd van de laatste overlevende afspeelt, want de werkelijkheid kent hier meerdere lagen en een echt realistische is er wellicht niet eens bij. Maar goed. In het verhaal in het verhaal begeeft James zich trouw iedere ochtend naar de medicijnkast voor zijn ongelofelijke dagelijkse dosis. En dan staat hij nog te stuiteren. Of stuitert hij juist. Dat laat de film in het midden. Ook als hij naar de morfinespuit grijpt lijkt hij eerder een roes te willen stoppen dan er een op te willen roepen. Het lijkt of de film gaat over waanzin en de bestrijding ervan met voorgeschreven legale drugs. Maar een dokter komt niet in beeld en de verpleegster die de zieke moeder moet verschonen wordt buitengesloten. James stoeit zelf wel met de medicijnkast.
The Living and the Dead is een film in de traditie van het existentialistische absurdistische theater. Ionesco. Beckett. Maar ook, zoals Rumley zelf aangaf, van het existentialistisch-absurdistische filmen van een Darren Aronofsky of een duisterder variant op Terry Gilliam.
De films van Nieto Zas, Gilliam en Rumley draaien niet binnen het programma-onderdeel Whitle Light. In het geval van Nieto Zas zou dat ook geen goed idee zijn geweest en in het geval van Rumley had het best gekund.
Maar, zoals gezegd, films gaan vaak niet over één ding. Of niet op één manier over een bepaald ding. Daarom vallen films, zeker goede en rijke films, altijd net wel of net niet binnen een thematische programma. Een thematisch programma dat tenslotte ook maar voor tijdelijk een aantal films als joelende schoolkinderen in een klasje samenbrengt om ze snel daarna weer buiten te laten spelen.